Onregelmatige werkwoorden Engels

Draai aan het rad voor een onregelmatig werkwoord en noem de past simple en het past participle. Begin met de A1-werkwoorden en voeg dan een niveau toe.

Interactief spinnerwielbebeginbuycatchchoosecomedodrawdrinkdriveeatfeelfindflyforgetgetgivegohavehearknowlearnleavemakemeetpayputreadriderunsayseesendshowsingsitsleepspeakspreadswimtaketeachtellthinkunderstandwakewearwrite
Klaar om te draaien
Het wiel is klaar

Onregelmatige werkwoorden oefenen met de hele klas

Regelmatige werkwoorden krijgen -ed in de verleden tijd; onregelmatige veranderen: go, went, gone. Het rad kiest het werkwoord, de klas noemt de past simple en het past participle, en jij laat het antwoord zien en beoordeelt het. Begin met de A1-werkwoorden, voeg een niveau toe als de klas er klaar voor is, of vraag vanuit de Nederlandse vertaling.

Zo werkt het

  1. Kies wat je vraagt: beide vormen, de past simple, het past participle of vanuit de vertaling.
  2. Kies de niveaus, A1 tot B2+, of vink de werkwoorden van deze week aan in de lijst.
  3. Draai, laat de klas antwoorden, toon het antwoord en beoordeel het als goed of fout.
  4. Met een opgeslagen klas speel je om de beurt, met afvallen of om punten.

Ideeën voor de Engelse les

  • Een korte opwarmer in de brugklas.
  • De werkwoorden van deze week, aangevinkt in de lijst.
  • Een afvalfinale op vrijdag.
  • Herhalen voor de toets over onregelmatige werkwoorden.
  • De lijst printen om thuis te leren.

Lijst van onregelmatige werkwoorden in het Engels

Alle 143 onregelmatige werkwoorden op het rad, met past simple, past participle, vertaling en niveau. Waar Brits en Amerikaans Engels verschillen, staan beide vormen.

Infinitief Past simple Past participle Vertaling Niveau
arise arose arisen ontstaan B2+
be was / were been zijn A1
bear bore borne / born (Amerikaans) verdragen B2+
beat beat beaten / beat (Amerikaans) slaan B1
become became become worden A2
begin began begun beginnen A1
bend bent bent buigen B2+
bet bet bet wedden B1
bind bound bound binden B2+
bite bit bitten bijten B1
bleed bled bled bloeden B1
blow blew blown blazen B1
break broke broken breken A2
breed bred bred fokken B2+
bring brought brought brengen A2
broadcast broadcast / broadcasted (Amerikaans) broadcast / broadcasted (Amerikaans) uitzenden B2+
build built built bouwen A2
burn burnt / burned burnt / burned branden B1
burst burst burst barsten B2+
buy bought bought kopen A1
cast cast cast werpen B2+
catch caught caught vangen A1
choose chose chosen kiezen A1
cling clung clung zich vastklampen B2+
come came come komen A1
cost cost cost kosten A2
creep crept crept kruipen B2+
cut cut cut snijden A2
deal dealt dealt handelen B1
dig dug dug graven B1
dive dived / dove (Amerikaans) dived duiken B1
do did done doen A1
draw drew drawn tekenen A1
dream dreamed / dreamt dreamed / dreamt dromen A2
drink drank drunk drinken A1
drive drove driven rijden A1
eat ate eaten eten A1
fall fell fallen vallen A2
feed fed fed voeden B1
feel felt felt voelen A1
fight fought fought vechten B1
find found found vinden A1
fit fitted / fit (Amerikaans) fitted / fit (Amerikaans) passen B1
flee fled fled vluchten B2+
fly flew flown vliegen A1
forbid forbade forbidden verbieden B2+
forget forgot forgotten vergeten A1
forgive forgave forgiven vergeven B1
freeze froze frozen vriezen B1
get got got / gotten (Amerikaans) krijgen A1
give gave given geven A1
go went gone gaan A1
grow grew grown groeien A2
hang hung hung hangen B1
have had had hebben A1
hear heard heard horen A1
hide hid hidden verbergen B1
hit hit hit slaan A2
hold held held houden A2
hurt hurt hurt pijn doen A2
keep kept kept houden A2
kneel knelt / kneeled knelt / kneeled knielen B2+
know knew known weten A1
lay laid laid leggen B2+
lead led led leiden B1
lean leaned / leant (Brits) leaned / leant (Brits) leunen B2+
leap leaped / leapt leaped / leapt springen B2+
learn learned / learnt (Brits) learned / learnt (Brits) leren A1
leave left left verlaten A1
lend lent lent lenen A2
let let let laten A2
lie lay lain liggen A2
light lit / lighted lit / lighted aansteken B1
lose lost lost verliezen A2
make made made maken A1
mean meant meant betekenen A2
meet met met ontmoeten A1
overcome overcame overcome overwinnen B2+
pay paid paid betalen A1
prove proved proved / proven (Amerikaans) bewijzen B1
put put put zetten A1
quit quit quit stoppen B1
read read read lezen A1
ride rode ridden rijden A1
ring rang rung bellen A2
rise rose risen stijgen B1
run ran run rennen A1
say said said zeggen A1
see saw seen zien A1
seek sought sought zoeken B2+
sell sold sold verkopen A2
send sent sent sturen A1
set set set zetten B1
sew sewed sewn / sewed naaien B1
shake shook shaken schudden B1
shed shed shed vergieten B2+
shine shone / shined shone / shined schijnen B1
shoot shot shot schieten B1
show showed shown tonen A1
shrink shrank shrunk krimpen B2+
shut shut shut sluiten A2
sing sang sung zingen A1
sink sank / sunk (Amerikaans) sunk zinken B1
sit sat sat zitten A1
sleep slept slept slapen A1
slide slid slid glijden B2+
smell smelled / smelt (Brits) smelled / smelt (Brits) ruiken B1
sow sowed sown / sowed zaaien B2+
speak spoke spoken spreken A1
spell spelled / spelt (Brits) spelled / spelt (Brits) spellen A2
spend spent spent uitgeven A2
spill spilled / spilt (Brits) spilled / spilt (Brits) morsen B1
spin spun / span (Brits) spun draaien B2+
spit spat spat spugen B2+
split split split splitsen B2+
spoil spoiled / spoilt spoiled / spoilt bederven B1
spread spread spread verspreiden A1
spring sprang / sprung (Amerikaans) sprung springen B2+
stand stood stood staan A2
steal stole stolen stelen A2
stick stuck stuck plakken B1
strike struck struck slaan B1
swear swore sworn zweren B2+
sweep swept swept vegen B2+
swell swelled swollen / swelled zwellen B2+
swim swam swum zwemmen A1
swing swung swung schommelen B2+
take took taken nemen A1
teach taught taught onderwijzen A1
tear tore torn scheuren B1
tell told told vertellen A1
think thought thought denken A1
throw threw thrown gooien A2
tread trod / treaded (Amerikaans) trodden / trod (Amerikaans) betreden B2+
understand understood understood begrijpen A1
undertake undertook undertaken ondernemen B2+
upset upset upset van streek maken B2+
wake woke / waked woken / waked wakker worden A1
wear wore worn dragen A1
weep wept wept huilen B2+
win won won winnen A2
withdraw withdrew withdrawn terugtrekken B2+
write wrote written schrijven A1

Vormen uit het Cambridge Advanced Learner’s Dictionary. Niveaus uit het English Vocabulary Profile (ERK) zoals het Cambridge Dictionary ze geeft. Betekenissen gecontroleerd met Wiktionary.

Meer spellen voor de klas

Veelgestelde vragen

Hoeveel onregelmatige werkwoorden heeft het Engels?

Het Engels heeft zo’n 200 onregelmatige werkwoorden, maar een leerling heeft er veel minder nodig. De lijst van SpinnerWheel heeft er 143, geordend naar de niveaus van het English Vocabulary Profile, van A1, de meest gebruikte, tot B2 en hoger.

Wat is het verschil tussen past simple en past participle?

De past simple staat alleen: I went. Het past participle staat bij have of be: I have gone, it was written. Bij veel werkwoorden zijn beide vormen gelijk, zoals bought, bij andere niet, zoals went en gone.

Is het learned of learnt?

Allebei zijn goed. Amerikaans Engels gebruikt learned, Brits Engels learned of learnt. Zo ook spelled en spelt of smelled en smelt. De lijst geeft beide vormen.

Kan de hele klas tegelijk meedoen?

Sla de klassenlijst één keer op, dan kiest het rad ook wie antwoordt. Speel om de beurt, met afvallen of om punten, en een verslag laat zien welke werkwoorden je moet herhalen. Het is gratis en de namen blijven op het apparaat.

Ontdek meer willekeurige kiezers

Alle tools zijn gratis en werken in je browser: trek een getal, verdeel een klas in teams, kies de winnaar van een winactie of draai een quiz.

Groepen & winacties

Maak teams en kies winnaars.

Spellen & beslissingen

Leuke keuzes in een paar seconden.

Aardrijkskunde

Ontdek de wereld, draai voor draai.

Kleuren & afbeeldingen

Laat je inspireren door kleuren en afbeeldingen.

Sport

Draai voor je favoriete teams.